FISCUS MAG NIET TE VEEL VRAGEN STELLEN BIJ EEN INDICIAIR ONDERZOEK

De Belg heeft iets met huizen. Van zodra hij zijn kans ziet, bouwt hij de klassieke gezinswoning. Maar als het hem verder voor de wind gaat, zoekt hij naar een tweede verblijf. Voor sommigen is een huis te Poepehan de beste keus. Anderen zweren bij een appartement aan de Belgische kust. Maar of het nu een huis of een appartement is, de fiscus zal speciale interesse tonen voor de wijze waarop het verworven onroerend goed is betaald. Voor zover de aankoop is gebeurd met eigen middelen, zal de fiscus nagaan of die niet afkomstig zijn van niet aangegeven inkomsten. Maar daarbij mag hij niet al te driest tewerk gaan.

Als een belastingplichtige zijn aangifte indient, zal de fiscus nagaan of de gegevens die er in voorkomen wel juist zijn. De fiscus zal dus nagaan of alle inkomsten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft verdiend, ook effectief aangegeven zijn. Om te bewijzen dat de belastingplichtige meer belastbaar inkomen heeft dan hij zelf toegeeft, beschikt de fiscus over een aantal bewijsmiddelen. Sommigen komen uit het burgerlijk recht (bijvoorbeeld de eenzijdige bekentenis), weer andere zijn specifiek ingevoerd in het wetboek inkomstenbelastingen. Een van de bijzondere bewijsmiddelen van de fiscus is de taxatie volgens tekenen en indiciën. Behoudens tegenbewijs mag de raming van de belastbare grondslag worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten (art. 341, eerste lid W.I.B. 1992). Dit bewijsmiddel kan door de fiscus ingeroepen worden zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen. Het is de fiscus zelf die de tekenen en indiciën moet opsommen die de onontbeerlijke grondslag vormen voor een aanslag op grond van tekenen en indiciën. Hij mag daarbij de belastingplichtige niet betrekken (Com.I.B. 1992 341/3). Zo mag de fiscus niet vragen of u een reis ondernam, antiek kocht, een familiefeest gaf, De reden waarom de wetgever dergelijk bewijsmiddel invoerde in fiscalibus zal eenieder begrijpen. Stel dat een jonge ondernemer 5.000 euro belastbaar inkomen aangeeft maar in een riant eigen huis woont en met een fraaie Porsche rondtoert. In dat geval blijkt uit tekenen en indiciën dat die belastingplichtige een grotere rijkdom lijkt te hebben dan uit zijn aangegeven inkomsten kan worden vermoed. Dus moet hij ergens het geld vandaan halen om dat te betalen. Als hij niet kan aantonen waar die middelen vandaan komen, zal de fiscus vermoeden dat hij ze in het jaar zelf heeft verdiend zonder ze aan te geven.

Weduwe

Het Hof van Beroep te Antwerpen moest begin dit jaar een geval behandelen van een weduwe die in 1994 een mooi appartement van 370.000 euro kocht in Knokke Zoute. Bij die aankoop werden registratierechten en notariskosten betaald voor in totaal 54.000 euro. De fiscus kreeg lucht van deze aankoop. Hij vroeg zich af hoe die weduwe dat allemaal kon betalen vermits die in haar aangifte in de personenbelasting een schamel pensioen aangaf van 6.000 euro. De fiscus besloot een indiciair onderzoek te starten. De administratie stuurde een vraag om inlichtingen naar de weduwe. Daarin vroeg de fiscus aan de weduwe hoe de aankoop van het appartement werd gefinancierd. De weduwe antwoordde op die vraag uitvoerig. Ze stelde dat voor de aankoop geen leningen werden aangegaan, maar dat alles werd betaald met eigen middelen. Meteen voegde ze bij haar antwoord 24 verkoopborderellen toe die als voorwerp de verkoop van roerende waarde hadden in 1992 voor 500.000 euro. De vrouw gaf dus aan dat de aankoop in 1994 werd betaald met de opbrengst van de verkochte roerende waarden in 1992. Maar op basis van die gegevens besloot de fiscus tóch de aanslag te wijzigen. Hij stuurde een bericht van wijziging van aangifte waarin werd gesteld dat de weduwe zou belast worden op een indiciair tekort van 418.000 euro. De weduwe gaf in dat jaar 424.000 euro uit. Ze verdiende in datzelfde tijdperk maar 6.000 euro. Dus moet het verschil volgens de fiscus belast worden als inkomen "van onbepaalde oorsprong". De fiscus weigert dus de opbrengst van de verkochte roerende waarden in 1992 voor 500.000 euro als verantwoording voor de uitgave in 1994 te aanvaarden. De administratie oordeelt dat een eenvoudige mogelijkheid tot sparen niet volstaat om de aanwezigheid van voldoende beschikbare middelen te bewijzen. De weduwe heeft niet aangetoond dat de opbrengst van de verkoop van de roerende waarden in 1992 nog in haar bezit waren. De weduwe heeft naar het oordeel van de fiscus nagelaten aan te tonen dat de aankoop van het appartement effectief is betaald met de opbrengst van de roerende waarden.

De weduwe was begrijpelijkerwijs in alle staten. Ze antwoordde op het bericht van wijziging dat zij de zienswijze van de fiscus helemaal niet deelde. Ze argumenteerde dat de aankoop te Knokke een bijzondere uitgave is zodat in dergelijk geval de indiciaire afrekening moet opgesteld worden over meerdere jaren. Tevens stelt zij dat de fiscus haar volkomen onterecht de last oplegt aan te tonen dat met de opbrengsten van de bedoelde verkoop ook effectief de aankoop van de eigendom is gebeurd. Maar de controleur had geen oren naar haar argumentatie. Dus vestigde hij een aanslag van 270.000 euro. De weduwe stapte naar de gewestelijke directeur. Maar ook die wees haar bezwaar af. Dus zat er niets anders op dan het Hof van Beroep te Antwerpen te vatten.

Cassatie

Het Hof ziet geen graten in de werkwijze van de fiscus om de belastbare inkomsten te bepalen door middel van tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. De aldus vastgestelde inkomsten worden vermoed afkomstig te zijn van in de inkomstenbelasting belastbare inkomsten. Wil de belastingplichtige dit vermoeden weerleggen, dan moet hij met positieve, bewijskrachtige en controleerbare gegevens aantonen dat deze inkomsten ofwel werden behaald in een vorig belastbaar tijdperk ofwel voortkomen van niet aan de inkomstenbelasting onderworpen inkomsten. Maar, zo zegt het Hof, de belastingplichtige moet evenwel niét bewijzen dat de door hem aangetoonde inkomsten ook werkelijk werden aangewend om de bedoelde uitgaven te financieren. Hij kan daar dus niet toe verplicht worden. Het Hof bevestigt hier dus de geldende Cassatierechtspraak. De belastingplichtige moet bij een indiciaire taxatie enkel het bestaan van de rechtvaardigende elementen aantonen. Niet dat hij ze ook effectief heeft gebruikt (Cass., 5 september 1986, F.J.F., No. 87/81).

Op het argument van de fiscus dat de opbrengst van de verkopen in 1992 nog niet aantoont dat de gelden ervan nog in het bezit van weduwe waren in 1994, antwoordt het Hof als volgt. De fiscus betwist noch de verkoop van de roerende waarden noch de opbrengst ervan. Bovendien aanvaardt de fiscus dat de roerende waarden behoorden tot de nalatenschap van haar overleden echtgenoot. De weduwe haar man was immers overleden in 1990. Het netto actief van de huwelijksgemeenschap bedroeg volgens de aangifte in de successie op dat ogenblik 1,4 miljoen euro. De vrouw erfde trouwens bijna 750.000 euro van haar overleden man. Het is nu volgens de magistraten juist de taak van de fiscus steeds geval per geval te onderzoeken of het bedrag van de uitgaven een belastbaar bedrag kan zijn van het belastbaar tijdperk waarin de uitgave is geschied. Daarbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen de belastbare inkomsten en de niet belastbare kapitalen. Het Hof zegt dat de controleur had moeten afleiden uit al deze gegevens dat het zeer onwaarschijnlijk is de weduwe gedurende één en hetzelfde belastbare tijdperk 270.000 euro belastbare inkomsten zou verdiend hebben. Bovendien heeft de weduwe op afdoende wijze bewezen dat zij over de nodige middelen kon beschikken om de aankoop van het onroerend goed te financieren. Dus besluit het Hof dat de fiscus ongenuanceerd tewerk is gegaan door het verschil tussen de aankoopprijs voor het appartement en het aangegeven pensioen belastbaar te stellen in het jaar van de aankoop. De fiscus paste art. 341 W.I.B. 1992 dus verkeerd toe (Antwerpen, 6 februari 2001, F.J.F., No. 2001/138).

Dit arrest is een schoolvoorbeeld inzake indiciaire taxatie. Tot op vandaag houdt de administratie bijna collectief vast aan het principe dat de belastingplichtige bij een indiciaire taxatie moet aantonen dat hij de sommen, bekomen in vorige belastbare tijdperken, nog altijd had in het tijdperk dat hij ze wil aanwenden om een uitgave te motiveren. Niet zelden vraagt de fiscus naar rekeninguittreksels waaruit de "dans" van het geld blijkt. Maar dat wordt niet geëist door de wet. Mooi in dit arrest is dat het Hof duidelijk maakt dat de fiscus geval per geval moet bekijken en dat hij daarbij blijk moet geven van nuancering. Als een weduwe haar vermogen twee jaar voor de aankoop 1,4 mln. euro bedraagt, waarom moeilijk doen als ze zich een appartement van 370.000 euro koopt?

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 7 september 2001.