INVESTERINGSAFTREK KAN WEL BIJ VERHUUR AAN PARTICULIEREN

Een onderneming die nieuwe investeringen doet, kan een mooie fiscale bonus genieten. Naast de afschrijvingskost, krijgt de investeerder een extra fiscale tegemoetkoming die in de regel 4 of 11 procent bedraagt. Dus zijn heel wat ondernemingen er op uit die investeringsaftrek te krijgen. Maar de fiscale wet stelt dat de investeringsaftrek niet kan als het recht van gebruik van de betrokken activa wordt afgestaan aan een andere belastingplichtige. Dus vindt de fiscus dat de aftrek niet kan voor activa die aan particulieren worden verhuurd. Een tentenverhuurder was het met die stelling niet eens. Hij stapte naar Cassatie en kreeg gelijk.

De investeringsaftrek is een beloning die de fiscale wetgever uitdeelt als een onderneming investeert in afschrijfbare immateriële en materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht indien die vaste activa in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt (art. 68 W.I.B. 1992). Dat is een extra aftrek. Zo zal een KMO vennootschap voor het aanslagjaar 2002 in het jaar van de investering op een investeringsbedrag van 1000, een extra fiscale aftrek krijgen van 40. Dat wil zeggen dat in het jaar van de investering in de aangifte vennootschapsbelasting een extra aftrek van 40 komt. Stelt de vennootschap op de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht minder dan 20 werknemers tewerk, dan kan zij bovendien opteren voor de gespreide investeringsaftrek (art. 70 W.I.B. 1992). In dat geval wordt de aftrek voor aanslagjaar 2002 eenvormig bepaald op 11 procent. Maar de vennootschap krijgt dat niet in een keer op het investeringsbedrag. Op de afschrijvingen die voor elk belastbaar tijdperk voor de investeringen worden geboekt mag dan 11 procent als extra aftrek genomen worden. Stel dat de investering van 1000 op vijf jaar wordt afgeschreven, dan zal de vennootschap vijf jaar lang 22 extra aftrek krijgen.

Uitzonderingen

Maar op deze regel bestaan uiteraard een trits uitzonderingen (art. 75 W.I.B. 1992). Personenauto's en auto's voor dubbel gebruik kunnen niet genieten van de investeringsaftrek (met uitzondering van echte taxiís en autoís van autorijscholen die daartoe speciaal zijn uitgerust). Van meet af aan wou de wetgever verhinderen dat als de ene belastingplichtige een actief kocht en dat doorgaf aan een andere, beide de investeringsaftrek zouden kunnen toepassen. Vandaar dat in de wet een passus werd voorzien dat als vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of opstal, of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, de investeringsaftrek niet kan toegepast worden ingeval die vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen. Bij een klassieke boekhoudrechtelijke lease zal de leasemaatschappij een vrachtwagen kopen en doorverhuren aan de leasingnemer. Logischerwijs wou de wetgever dat enkel de "economische gebruiker" (de leasingnemer) van de investeringsaftrek kon genieten. Niet én de leasinggever én de leasingnemer.

Maar met die bepaling werden niet alle sluipwegen uitgesloten. Sommige grote ondernemingen focusten op de gespreide investeringsaftrek. Maar gezien hun groot personeelsaantal (in elk geval meer dan 19 op eerste dag van het belastbaar tijdperk), konden zij het mooie percentage van de gespreide aftrek niet krijgen. Dus richtten zij een aparte vennootschap op met een paar personeelsleden die alle immateriële en materiële activa kochten om die meteen door te verhuren aan de vennootschappen die het personeel hadden om met de activa te werken. Die "kleine" vennootschap kon dan genieten van de gespreide investeringsaftrek. Bij belangrijke investeringen leverde dat een mooie belastingbesparing op. Maar ook buitenlandse ondernemingen kwamen naar België. Zij richtten hier een vennootschap op die wederom alle activa kocht en die doorverhuurde aan hun vestigingen in hun thuishaven. Daar heeft de toendertijdse regering een stokje voor gestoken. De investeringsaftrek kan niet voor vaste activa indien het recht van gebruik ervan is overgedragen aan een andere belastingplichtige. Tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt. Hiermee werd de deur gesloten. Maar deze ingreep lijkt wel heel drastisch. De fiscus meent er zelf uit te kunnen besluiten dat de investeringsaftrek niet kan toegepast worden voor om het even wie, die het gebruik van de activa (aan om het even wie; behalve de uitzondering voor eenmanszaken) geheel of gedeeltelijk verder afstaat. De fiscus gaat zelfs zo ver te stellen dat de investeringsaftrek niet kan worden verleend voor vaste activa die normaliter aan beroepsmensen worden verhuurd en slechts eerder toevallig of uitzonderlijk worden verhuurd aan particulieren die de activa niet aanwenden voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid. (Com.I.B. 1992, nr. 68/23).

Feesttenten

Neem nu een onderneming die tenten verhuurt. Die tenten zullen vaak verhuurd worden aan particulieren. Dus lijkt het zo dat de investeringsaftrek niet kan. Het gebruik van de tenten wordt afgestaan aan natuurlijke personen die ze niet gebruiken voor beroepsdoeleinden. Maar iedereen zal begrijpen dat dit niet het opzet was van de nieuwe bepaling. Men wou, zoals gesteld, vermijden dat een vennootschap specifiek werd opgericht om de investeringsaftrek te "forceren". Dat is bij een loutere verhuring aan particulieren niet het geval.

Het Hof van Beroep te Gent had naar deze argumentatie geen oren (Gent, 8 juni 2000, T.F.R., 2002/28). Gent huldigde het adagium "een klare tekst moet niet uitgelegd worden". Volgens het Hof komt het er steeds op neer dat de investeringsaftrek niet van toepassing is wanneer de belastingplichtige de activa verhuurt aan particulieren die ze gebruiken voor private doeleinden. Maar de belastingplichtige leidde een voorziening in bij Cassatie (Cass., 22 november 2001, T.F.R., 2002/27). Ons hoogste rechtscollege is het met de stelling van Gent niet eens. Cassatie houdt rekening met de samenhang van de diverse bepalingen en met de wetsgeschiedenis. Daaruit blijkt dat het de bedoeling was van de wetgever te verhinderen dat twee onderscheiden belastingplichtigen met betrekking tot dezelfde vaste activa zouden kunnen genieten van de investeringsaftrek. Vertrekkende van de vaststelling dat de betrokken onderneming tenten en het bijhorende materiaal aankoopt in het kader van haar bedrijfsactiviteit, het gebruik ervan aan derden afstaat op basis van een huurovereenkomst en de derden de tenten niet beroepsmatig aanwenden besluit Cassatie dat het Hof te Gent op die basis niet kon beslissen dat op tenten geen investeringsaftrek van toepassing is.

Gevolgen

Een voor de belastingplichtige gunstig arrest. Wat Cassatie stelt, is uiteraard juist. De bedoeling van de wetgever was geforceerde toepassingen van de investeringsaftrek uitsluiten. Bij het verhuren van tenten aan particulieren is dat zeker niet het geval. Trouwens de wetgever voorzag dat verhuring aan natuurlijke personen die de activa gebruiken zonder ze zelf door te verhuren, toch kan genieten van de investeringsaftrek. Waarom zou dat dan niet kunnen voor de verhuur aan een particulier?

Dit arrest zal verstrekkende gevolgen hebben. In haar commentaar stelt de fiscus dat de investeringsaftrek niet van toepassing is op een aantal activa omdat het gebruik ervan wordt afgestaan aan een derde. Die zullen nu stuk voor stuk in vraag worden gesteld: verhuring van kamers aan studenten, zonnebanken en movieboxen waarvan het gebruik (door huur, door een andere overeenkomst of zelfs te kosteloze titel) aan particulieren wordt afgestaan, aan particulieren verhuurde stallen, een onroerend goed waarvan het gebruik door een vennootschap is afgestaan aan haar bedrijfsleider die het voor privé-gebruik aanwendt en een zwembad door een vennootschap ter beschikking gesteld van een stille vennoot (Com.I.B. 1992, nr. 68/23). Alhoewel in die laatste twee gevallen het gebouw en het zwembad best effectief wordt verhuurd zodat het betrokken actief daadwerkelijk wordt gebruikt voor de beroepsdoeleinden van de onderneming die de investeringsaftrek wil toepassen. Dit arrest zal dus, net zoals het arrest rond schrijfkosten op terreinen, heel wat belastingplichtigen aanzetten om toch de investeringsaftrek toe te passen. We houden de adem in voor de reactie van Financiën.

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 19 april 2002.