WETSONTWERP VENNOOTSCHAPSBELASTING INGIEDIEND IN KAMER

Midden juli, net voor het parlementair reces, kregen de leden van de kamercommissie voor de financiën en de begroting het wetsontwerp tot wijziging van de vennootschapsbelasting en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken. Het definitieve ontwerp verschilt op een aantal cruciale punten van het voorontwerp van wet dat goedgekeurd werd op de ministerraad van 19 april 2002. Dat komt door verdere politieke onderhandelingen tussen de meerderheidspartijen en de soms striemende kritiek die de Raad van State had op het voorontwerp.

De regering plant een belasting van 10 procent te heffen op liquidatieboni, in koop eigen aandelen en scheidingsaandeel. De Raad van State merkte daarbij het verschil op tussen de vaststelling van de belastbare basis voor de berekening van de roerende voorheffing op liquidatieboni en de berekening van het belastbaar inkomen in de personenbelasting zelf (zie ook krant 14.06.2002). De belastbare basis voor de roerende voorheffing zou bepaald worden op basis van wat nu staat in art. 209, eerste lid W.I.B. 1992: het positieve verschil tussen de uitkeringen in geld, in effecten of in enige andere vorm, en de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal. Het voorontwerp stelde anderzijds dat bij aangifte in de personenbelasting een bedrag zou moeten aangegeven worden gelijk "aan het positieve verschil tussen de verkregen sommen of de waarden van de ontvangen bestanddelen en de aanschaffingswaarde van de aandelen die worden verkregen, terugbetaald of geruild door de vennootschap die ze had verkregen". Dat zou leiden tot een verschillende belastbare basis. Dat verschil is in het definitieve ontwerp weggewerkt door logischerwijs eenduidig te verwijzen naar het art. 209 W.I.B. 1992. Zowel voor de heffing van de roerende voorheffing als voor de aangifte in de personenbelasting zelf (bijvoorbeeld bij liquidatie van een buitenlandse vennootschap) wordt nu een zelfde definitie gehanteerd. Datzelfde gebeurt voor de inkoop eigen aandelen en het scheidingsaandeel.

Wat de inkoop eigen aandelen betreft gaat de regering in op een suggestie van de Raad van State door een technische uitzondering te voorzien op de inhouding van de roerende voorheffing als een vennootschap haar eigen aandelen verkrijgt welke toegelaten zijn tot een gereglementeerde markt. Deze uitzondering is logisch omdat in zon geval de verkoper en de koper niet in staat zijn elkaar te identificeren. De verkrijging gebeurt dan zo goed als steeds via een beroepstussenpersoon. Die weet niet of er een belastbare basis ontstaat bij de inkoop en in bevestigend geval, hoe groot die is. Maar om de uitzondering te krijgen moet de verhandeling plaatsvinden op de centrale beursmarkt van Euronext of op een markt van gelijke aard.

Maar wat de inwerkingtreding betreft, heeft de regering niets veranderd aan het voorontwerp (zie ook krant 26.04.2002). Dat betekent dat de regering bij een inkoop eigen aandelen en de uitkering van een scheidingsaandeel vanaf 01.01.2002 de tien procent roerende voorheffing met terugwerkende kracht wil. Bij een vereffening moeten drie gevallen onderscheiden worden. Is de vereffening gesloten uiterlijk op 24.03.2001, dan stelt zich geen enkel probleem. In dat geval blijven de liquidatieboni vrij van roerende voorheffing. Is de vereffening echter gesloten vanaf 25.03.2002 of staat ze nog open, dan moeten twee gevallen onderscheiden worden. Zijn reeds liquidatieboni uitgekeerd vóór 01.01.2002 dan stelt zich ook geen probleem. Voor die uitkeringen geldt nog de vrijstelling van roerende voorheffing. Zijn ze echter uitgekeerd vanaf 01.01.2002, dan volgt belastbaarheid aan 10 procent. De Raad van State had nochtans ernstige bezwaren geformuleerd bij deze retroactiviteit. Volgens de Raad mogen de bepalingen met betrekking tot de inwerkingtreding van de liquidatieboni, inkoop eigen aandelen en scheidingsaandeel ten vroegste in werking treden met ingang van 23.04.2002. De regering houdt echter voet bij stuk. De tekst blijft ongewijzigd. Zelfs in de memorie van toelichting motiveert de regering haar standpunt niet. Ondanks de kritiek van de Raad van State. Met zekerheid: hier is het laatste woord nog niet over gezegd.

DBI

De meest ingrijpende wijzigingen binnen het ontwerp is die rond de definitief belaste inkomsten. Om van een DBI te genieten voorzag het voorontwerp in twee voorwaarden. Vooreerst plant de regering het percentage binnen de minimum participatiedrempel te verhogen van 5 naar 10 procent. Het bedrag van de minimum participatiedrempel van 1,2 mln. EUR blijft behouden. Van zodra aan één van beide voorwaarden is voldaan, heeft de moeder recht op haar DBI. De tweede wijziging houdt in dat de inkomsten die de moeder ontvangt moeten betrekking hebben op aandelen die boekhoudrechtelijk de aard van financiële vaste activa hebben en gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden of werden behouden. Deze nieuwe voorwaarden blijven onverkort overeind. Maar samen met beleggingsvennootschappen en intercommunales zouden deze regels ook niet gelden voor beursvennootschappen. Die vallen nu uit de boot. Zij krijgen nu toch nog een uitzondering op de minimum participatiedrempel. Die stond al in het voorontwerp maar enkel voor de kredietinstellingen en de verzekeringsondernemingen. Maar niet meer op de voorwaarde financieel vast actief en bezitduur van minstens één jaar.

Zoals iedereen verwachtte, is de meest opvallende wijziging binnen het nieuwe DBI-stelsel te zoeken bij de minimum belastingheffing die dividenden uit het buitenland moeten ondergaan hebben om in België een DBI te krijgen. Op vandaag kan een DBI niet als het dividend is verleend of toegekend door een vennootschap die niet aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard als die belasting is onderworpen, of die gevestigd is in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België (art. 203, 1, eerste lid, 1 W.I.B. 1992). Als het dividend niet wordt belast, is dit een duidelijke bepaling. Maar wanneer is een buitenlandse vennootschapsbelasting aanzienlijk gunstiger dan in België? In het voorontwerp hanteerde de regering een belastingvoet van 15 procent. Die blijft overeind en word zelfs verduidelijkt. De gemeenrechtelijke bepalingen worden geacht gunstiger te zijn dan in België als hetzij het gemeenrechtelijk nominaal tarief op de winsten van de vennootschap lager is dan 15 procent, hetzij, gemeenrechtelijk, het tarief dat met de werkelijke belastingdruk overeenstemt, lager is dan 15 procent. De regering honoreert de opmerking van de Raad van State door niet enkel de belastingen in overweging te nemen geïnd door de centrale overheid, maar ook deze door de deel-, gewestelijke en andere entiteiten in functie van de organisatievorm van de betrokken Staat. Maar dit brengt wel met zich mee dat in zoverre een van de deelstaten een belastingvermindering toekent, die in mindering moet komen van de belastingen geïnd door de centrale staat.

Enkel bij KB

De grote wijziging zit hem in de volgende twee supplementaire bepalingen. De gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen die van toepassing zijn op vennootschappen gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie worden geacht niet aanzienlijk gunstiger te zijn dan in België. De Ierse route blijft dus, als dit ontwerp wet wordt, met zekerheid overeind. Anderzijds zal de toetsing met de 15 procent grens niet automatisch gelden. De weigering van de DBI zal enkel kunnen als het land waar de DBI uit vandaan komt op een lijst staat die bij wijze van KB zal gepubliceerd worden. De regering motiveert deze werkwijze door te stellen dat deze aanpak toelaat de draagwijdte van de 15 procent regel te verduidelijken en uit bezorgdheid voor de rechtszekerheid. De regering overweegt trouwens om op grond van deze beginselen een voorlopige lijst op te stellen die in het Belgisch Staatsblad zal gepubliceerd worden. Zo is een grotere transparantie gegarandeerd en zal de mogelijkheid bestaan in ruime mate standpunten uit te wisselen vooraleer de definitieve lijst met een betere kennis van zaken zal worden opgesteld. Dezelfde werkwijze zal trouwens gevolgd worden bij latere wijzigingen van deze lijst.

Verder verduidelijkt de memorie van toelichting nog dat de werkelijke belastingdruk die in een land van toepassing is, moet worden beoordeeld rekening houdend met de regels die op internationaal vlak algemeen zijn aanvaard zoals, bij voorbeeld, inzake fiscale consolidatie en "carry back" (van fiscale verliezen). Er is dus geen perfecte overeenstemming vereist tussen de buitenlandse gemeenrechtelijke stelsels en de stelsel die hier in België van toepassing zijn. Maar daar voegt de regering aan toe: "Een belastbare basis die is vastgesteld overeenkomstig aanzienlijk gunstiger regels kan daarentegen niet worden aanvaard.". Als de belastingberekening dus min of meer overeenstemt met internationaal aanvaarde principes moet geen herberekening gebeuren. In het andere geval wel.

Tax holidays

De voorgestelde maatregel zal nog steeds volgens de regering, geen weerslag hebben op de beoordeling van de voorwaarden tot aftrek die van toepassing zijn op sommige specifieke regimes of vennootschapsvormen, ongeacht of het een definitieve of tijdelijke maatregel betreft. De 15 procent grens mag immers volgens onze regering niet leiden tot een bestraffing van de investeringen in achtergestelde geografische zones waarvoor in die landen aanmoedigingsmaatregelen tot investering of ontwikkeling is voorzien (de zogenaamde "tax holidays"). Minstens één grote Vlaamse grootbank zal heel blij zijn met deze passus.

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 16 augustus 2002.