V.Z.W.s ONDERWORPEN AAN VENNOOTSCHAPSBELASTING

Een vennootschap betaalt op haar winsten een dure belasting. Een vereniging zonder winstoogmerk is slechts op een aantal specifieke inkomsten belastbaar aan een zo goed als altijd voordelig tarief. In niet weinig gevallen moet zij echter op haar batig saldo geen enkele belasting betalen. Dat zet een aantal ondernemers er toe aan in plaats van een vennootschap, een vereniging zonder winstoogmerk op te richten. Maar als de vereniging in feite een onderneming is of verrichtingen van winstgevende aard stelt, kan de fiscus toch de dure vennootschapsbelasting opeisen.

De nieuwe wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen is in de Kamer goedgekeurd op 02.05.2002. De wet is evenwel nog niet gepubliceerd in het staatsblad en dus nog niet van kracht. Daartoe wacht men nog op de boekhoudbesluiten die bij dit ontwerp horen. Want het parlement vindt dat vzws, internationale verenigingen en stichtingen een boekhouding moeten voeren. Een vzw, een internationale vereniging en een stichting is in principe onderworpen aan de rechtspersonenbelasting. Dat betekent dat deze rechtspersonen in de praktijk veelal geen inkomstenbelastingen zal betalen. Binnen de rechtspersonenbelasting zijn immers maar een zeer beperkt aantal inkomsten belastbaar (art. 221 en 223 W.I.B. 1992) waarbij telkens een afzonderlijk tarief geldt. Maar voor zover de vereniging inkomsten zou halen uit andere bronnen dan deze die in de wet opgesomd worden, moet daar géén belasting op betaald worden. In de wetenschap dat de vennootschapsbelasting nu 40,17 procent bedraagt (en als het wetsontwerp daartoe wordt goedgekeurd, vanaf aanslagjaar 2004 daalt tot 33,99 procent), is dat een flink voordeel.

Voorwaarden

Maar het spreekt voor zich dat de wetgever de onderworpenheid aan de bijzonder aanlokkelijke rechtspersonenbelasting niet alleen laat afhangen van het kiezen voor de v.z.w. of een gelijkaardige vorm. Wil een v.z.w. onderworpen worden aan de rechtspersonenbelasting, dan mag zij geen onderneming exploiteren en zich niet bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard (art. 220, 3 W.I.B. 1992). Is dat wel het geval, dan wordt de v.z.w. toch onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Twee zaken dienen dus gedefinieerd te worden. Wat wordt bedoeld met de exploitatie van een onderneming en wanneer zijn verrichtingen winstgevend? Om uit te maken of een v.z.w. al dan niet een onderneming exploiteert, moet niet naar het statutaire doel van de vereniging gekeken worden. Wat telt, is de werkelijk uitgeoefende activiteit. En als die danig lijkt op die van een onderneming die winst nastreeft en dus een zuiver economische finaliteit heeft, moet niet getwijfeld worden aan de kwalificatie tot exploitatie van een onderneming. In dat geval kan de fiscus terecht besluiten tot het toepassen van de vennootschapsbelasting. De omschrijving van een verrichting van winstgevende aard lijkt te veronderstellen dat het moet gaan om een opeenvolging van een met een zekere regelmaat voorkomende transacties die aldus een beroepsactiviteit uitmaken. De wetgever heeft echter zelf beseft dat deze twee begrippen niet eenduidig zijn. Vandaar dat hij naast een positieve formulering ook drie gevallen heeft ingeschreven die niet moeten beschouwd worden als verrichtingen van winstgevende aard. Alleenstaande of uitzonderlijke verrichtingen, verrichtingen die bestaan in het beleggen van fondsen ingezameld in het kader van de statutaire opdracht en verrichtingen die bestaan in een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingen betrekking hebben of niet volgens nijverheids- of handelsmethoden worden uitgevoerd, kunnen elk op zich geen aanleiding geven tot het onderwerpen van de v.z.w. aan de vennootschapsbelasting (art. 182 W.I.B. 1992).

Interpretatie

Vraag is nu hoe een en ander moet geïnterpreteerd worden. Met alleenstaande of uitzonderlijke verrichtingen wordt de organisatie bedoeld van een vaak jaarlijks terugkomend feest dat ingericht wordt om de kas van de vereniging te spijzen. Volgens de fiscus wordt met "verrichtingen die bestaan uit het beleggen van fondsen ingezameld in het kader van de statutaire opdracht" de roerende of onroerende beleggingsverrichtingen verstaan (met inbegrip van de verhuring van onroerende goederen binnen het kader van de maatschappelijke werkzaamheid) welke geacht zouden worden tot het normaal beheer van een privé-vermogen te behoren (Com.I.B 1992 182/3). Om uit te maken of een bedrijvigheid bijkomstig is, stelt de fiscus dat dit kan beoordeeld worden op basis van het verwantschapscriterium en het kwantitatief criterium. Het eerste criterium zal blijken uit de onbaatzuchtige (sociale, liefdadige, culturele, ) werkzaamheid, in die zin dat ze slechts samen met die werkzaamheid voorkomt (terzelfder tijd en op dezelfde plaats). Zo kan bijvoorbeeld als bijkomstig worden beschouwd het uitgeven van publicaties voor het kenbaar maken van de sociale en culturele oogmerken van de rechtspersoon (Com.I.B 1992 182/10 en 11). Als kwantitatieve criteria kunnen het aantal ingezette personen en het belang van de gebruikte materiële middelen gehanteerd worden (Com.I.B 1992/11). Wanneer deze omvangrijk zijn, zal dit een aanwijzing zijn dat het niet gaat om een bijkomstige activiteit. Onder het begrip "nijverheids- of handelsmethoden" wordt verstaan, het werken op een wijze die in een bepaalde sector gewoonlijk wordt gevolgd door industriële of handelsondernemingen (Com.I.B 1992/8).

Meteen mag duidelijk zijn dat het bijkomstig karakter één van de meest stringente voorwaarden is om toegelaten te worden tot de rechtspersonenbelasting. Maar als de nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingen van de vereniging niet bijkomstig zijn, maar hoofdzaak worden, dan kan niet anders dan besloten worden tot onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting. Dat daarbij geen winstoogmerk zou bestaan is van geen belang. Als de economische activiteit hoofdzaak wordt zelfs zonder winstgevend doel, is de enige oplossing de vennootschapsbelasting. Volledigheidshalve kan ook aangestipt worden dat het wetboek een aantal verenigingen expliciet uitsluit: verenigingen die enkel de (inter)professionele belangen van de leden tot doel hebben, het verlengstuk zijn van deze verenigingen, in het kader van de sociale wetgeving fondsen beheren, onderwijs verstrekken of steunen, enkel handelsbeurzen of tentoonstellingen organiseren, erkend zijn om gezins- en bejaardenhulp te verstrekken of erkend zijn om fiscaal aftrekbare giften te ontvangen (art. 181 W.I.B. 1992).

Cafetaria

Een voorbeeld. Een v.z.w. stelde lokalen ter beschikking van sociale en andere organisaties. Bovendien stelde de vereniging boeken ter beschikking en organiseerde vakantiekolonies. Maar bovenal baatte de v.z.w. ook een cafetaria uit. Dat cafetaria leverde voor 1988 een totale omzet op van 2,8 mln. BEF consumpties en 0,6 mln. BEF verkoop van tabak. De andere activiteiten leverden maar 0,28 mln. BEF op. Bovendien was dit cafetaria bestendig toegankelijk (op de wekelijkse rustdag na). Ook op dagen dat geen activiteiten werden georganiseerd. De belastingplichtige riep weliswaar in dat de door het cafetaria ingenomen ruimte beperkt was in vergelijking met de ruimte die was voorzien voor de andere activiteiten. Het Hof te Antwerpen, besluit echter dat gezien de belangrijke omzet en de bestendige toegankelijkheid, het cafetaria een winstgevende activiteit uitmaakt die niet bijkomstig is en dus onderworpen is aan de vennootschapsbelasting (9 juni 1998, F.J.F., No. 98/250; zie ook T.R.V., 99/1, p. 38). ieruit HH

Hieruit mag blijken dat het bijkomstig karakter van de winstgevende activiteit van groot belang is om het statuut van de rechtspersonenbelasting te kunnen behouden. En dat bijkomstig karakter moet dus ook kwantitatief getoetst worden. De ondernemer is dus gewaarschuwd. Spelen met v.z.w.'s kan gevaarlijk zijn.

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 27 september 2002.