COMMISSIE PUBLICEERT RECENTE RULINGS

Sinds begin 2003 bestaat binnen BelgiŽ een veralgemeende rulingregeling voor alle fiscale wetboeken. Een belastingplichtige die een verrichting plant, kan vooraf de fiscale gevolgen aftoetsen bij de fiscus. Na een moeilijke beginperiode heeft minister REYNDERS de bevoegde rulingcommissie onafhankelijk gemaakt. Dat werpt stilaan zijn vruchten af. In een eerste overzicht van de uitgebrachte rulings, staan een aantal opmerkelijke beslissingen.

In de periode vůůr de wet van 21.06.2004 ressorteerde de rulingcommissie onder de gewone diensten van de fiscus. Wat betekende dat alvorens een principieel standpunt werd ingenomen, de rulingdienst zo goed als steeds contact opnam met het bevoegd hoofdbestuur dat uiteindelijk de verrichting zou moeten controleren. Wat inhoudt dat in die tijd niet de dienst maar het bevoegd hoofdbestuur besliste omtrent de aanvragen. Sinds de Wet 21.06.2004 is de rulingcommissie autonoom geworden. Wat wil zeggen dat het een afzonderlijke onafhankelijke dienst is geworden met bekwame en ervaren ambtenaren. Menigeen in fiscalibus weet dat minister REYNDERS daarmee de sfeer wou ombuigen. Soms had men de indruk dat de rulingcommissie eerder onderzocht of een aanvraag toch niet kon geweigerd worden in plaats van in een positieve sfeer te onderzoeken hoe een en ander in het economisch belang van het land kon verantwoord worden.

In een onlangs gepubliceerde lijst van recente rulings blijkt dat deze politiek in een aantal gevallen tot resultaat leidt.

Interne meerwaarden

Een aantal rulings handelen omtrent de intussen bekende interne meerwaarden. Als een belastingplichtige aandelen verkoopt aan of inbrengt in een vennootschap waarvan hij ook aandeelhouder is, beschouwde de fiscus dat steeds als een speculatieve verrichting zodat de belastingplichtige 33 procent belasting diende te betalen op de gerealiseerde meerwaarde. Vijf dergelijke rulings worden gepubliceerd. De commissie vindt dat alle voorgelegde verrichtingen geen speculatief karakter hebben en belastingontwijking niet als hoofddoel hebben. In de klassieke opstelling waarbij een natuurlijk persoon zijn aandelen ruilt tegen aandelen van een holding moeten wel steeds vier engagementen worden gehonoreerd waaronder het verbod van een kapitaalvermindering gedurende de eerste drie jaar (zie krant 02.11.2005). Opvallend daarbij is dat de rulingcommissie nu met zoveel woorden zegt dat het artikel dat abnormale (speculatieve) meerwaarden belastbaar stelt, moet toegepast worden conform de Europese fusierichtlijn. Bij een fusie, een splitsing of een aandelenruil mag de toekenning van nieuwe aandelen van de holding in ruil voor aandelen van de ingebrachte vennootschap, op zich niet leiden tot enigerlei belastingheffing op het inkomen, de winst of de meerwaarden bij een aandeelhouder van de ingebrachte vennootschap. Redelijkerwijze en billijkheidshalve moet de toepassing van de fusierichtlijn ook worden doorgetrokken naar louter interne Belgische verrichtingen zonder grensoverschrijdende aspecten. Wat impliceert dat de rulingcommissie deze fusierichtlijn, die in principe enkel geldt tussen vennootschappen, ook van toepassing is op een natuurlijk persoon. Sommigen stellen dat daardoor maar een tijdelijke vrijstelling zou gegeven worden aan de betrokken natuurlijke persoon. Maar deze stelling moet niet gevolgd worden. In ons wetboek bestaat daarvoor geen basis.

Splitsingen

Tevens publiceert de commissie een aantal rulings rond splitsingen van vennootschappen. In het verleden was het belastingneutraal doorvoeren van een splitsing een heikel punt. Slechts zelden vond de commissie rechtmatige financiŽle of economische redenen om de fusie belastingvrij door te voeren. In een geval voorgelegd aan de commissie overweegt een vennootschap een splitsing door oprichting van twee nieuwe vennootschappen. In de ene vennootschap zal de onroerende verhuuractiviteit en een aandelenparticipatie worden ingebracht. In de andere vennootschap wordt de projectontwikkeling van onroerend goed projecten ingebracht. De commissie vindt dat dit twee verschillende activiteiten zijn die een verschillende aanpak op gebied van marketing, profilering en financiering vergen. Door de splitsing kan elke vennootschap zich nu op haar eigen 'core business' toeleggen. Dus besluit de commissie dat deze splitsing mag zonder vennootschapsbelasting, registratierecht en B.T.W. te betalen. In een ander geval blijft de commissie streng. Maar daar wou een vennootschap een partiŽle splitsing doorvoeren om in een aparte vennootschap haar enig bedrijfsgebouw en een belangrijke geldsom van een termijnrekening te parkeren. De splitsing werd mede ingegeven om zo een probleem met de beŽindiging van een recht van opstal op te lossen. De commissie vindt dat de vervanging van het recht van opstal door een handelshuurovereenkomst niet leidt tot meer zekerheid voor de vennootschap. Het verdwijnen van een pak geld uit de vennootschap verzwakt daarnaast aanzienlijk de financiŽle positie van de aanvraagster. Dus besluit de commissie dat de geplande operatie veeleer het belang van de aandeelhouders dient dan dat van de vennootschap. Deze verrichting kan niet belastingvrij.

Terbeschikkingstelling

In een geval van de ter beschikkingstelling van bergruimte blijft de rulingcommissie bij het administratieve standpunt. Een bergruimte kan enkel met B.T.W. verhuurd worden als het om een gebouw gaat dat uitsluitend voor het opslaan van goederen is ontworpen of ingericht en als zodanig kan worden gebruikt. Hoogstens mag 10 procent van de totale oppervlakte van het gebouw als kantoor voor het beheer van de opslagruimte gebruikt worden. Het is goed hierbij in herinnering te brengen dat verschillende vonnissen deze stelling niet volgen.

Alhoewel ťťn zwaluw de lente niet maakt, lijkt de rulingcommissie toch iets soepeler te handelen. Bij de rulingactiviteit moet gepoogd worden met een mercantiele geest te werk te gaan. Misschien zijn de gepubliceerde rulings een uitnodiging om voortaan vaker een ruling aan te vragen met meer kans op succes.

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 10 november 2005.