HOF VAN JUSTITIE NEEMT VLAAMSE SUCCESSIEVRIJSTELLING FAMILIALE ONDERNEMINGEN ONDER VUUR

De regeling van artikel 60bis W.Succ. geldt voor elke familiale onderneming, al dan niet uitgebaat als vennootschap. Wanneer de onderneming niet wordt uitgebaat onder de vorm van een vennootschap, dan geldt de vrijstelling voor de activa die door de erflater of zijn echtgenoot beroepsmatig zijn ge´nvesteerd in de familiale onderneming. Bij een vennootschap moeten de aandelen in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden van de erflater ononderbroken voor ten minste 50 procent toebehoord hebben aan de familie. Die familie bestaat naast de overledene uit zijn (of haar) echtgenoot en zijn (of haar) kinderen en kleinkinderen. Maar ook de ouders van de overledene, zijn broers en zusters en kinderen van vooroverleden broers en zusters behoren daartoe. De vrijstelling zal bij een vennootschap niet enkel slaan op de aandelen zelf. Ook de vorderingen van de overledene op deze vennootschap kunnen van de vrijstelling genieten. De vrijstelling wordt slechts toegestaan op voorwaarde dat de onderneming of de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden, minstens vijf in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde werknemers telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden. Zijn het er minder dan vijf, dan geldt het nultarief pondsgewijs. Indien de onderneming in de drie jaren voorafgaand aan het overlijden 1, 2, 3 of 4 in het Vlaams Gewest tewerkgestelde werknemers telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden, wordt de vrijstelling toegepast op respectievelijk 20 procent, 40 procent, 60 procent of 80 procent van de waarde van de onderneming.

Daarmee is de kous echter niet af. Ook na het overlijden moeten regels vervuld worden. De vrijstelling wordt slechts behouden indien het aantal in het Vlaams Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de eerste vijf jaar na het overlijden jaar na jaar behouden blijft. Wel kan hier gedurende de eerste vier jaar met een voortschrijdend gemiddelde gewerkt worden. Zijn er bij overlijden 30 werknemers, dan blijft de vrijstelling behouden als er bijvoorbeeld in het tweede jaar na overlijden maar 15 werknemers zijn en in het daaropvolgende jaar 45. Voorwaarde is dat het aantal personeelsleden op het einde van elk van de eerste vijf jaar, minstens 50 procent bedraagt van het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, op het ogenblik van het overlijden. Maar als op het einde van de vijf jaar het aantal voltijdse werknemers die tewerkgesteld werden op het ogenblik van het overlijden niet wordt bereikt, dan moet uiteindelijk toch nog proportioneel successierechten betaald worden. Als op het ogenblik van overlijden 30 werknemers worden tewerkgesteld en na afloop vijf jaar gecumuleerd maar 28 koppen worden geteld, moeten toch nog successierechten betaald worden op twee dertigste van de waarde van de aandelen op het ogenblik van het overlijden. Maar als de onderneming voor het verstrijken van de vijf jaar failliet gaat, zullen alsnog alle successierechten verschuldigd zijn.

Nu stelde het Hof van Justitie dat de verplichting om de vijf werknemers tewerk te stellen in Vlaanderen, strijdig is met de regels over de vrijheid van vestiging binnen de Europese Unie (HvJ, 25 oktober 2007, zaak C-464/05). Het ging om een Nederlander die in Vlaanderen woonde en er overleed in 2003. Hij had twee Nederlandse vennootschappen die elk meer dan vijf werknemers tewerkstelden. Die werknemers waren niet tewerkgesteld in Vlaanderen, maar in Nederland. Vandaar dat de Vlaamse fiscus de regeling voor familiale ondernemingen weigerde. Wat dus volgens het Hof niet kan. En dat betekent dat de erfgenamen van de overleden Nederlander toch kunnen genieten van de Vlaamse vrijstelling voor familiale ondernemingen. Meer nog: het behoud van de tewerkstelling gedurende vijf jaar na het overlijden zal evenzeer kunnen met werknemers tewerkgesteld in de beide vennootschappen in Nederland. Vlaanderen zal dan ook zijn regels moeten schikken naar de mening van het Hof.

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 6 november 2007.