DE DANS DER JAREN

Voor die vennootschappen die per kalenderjaar boekhouden, staat binnenkort opnieuw de laatste voorafbetaling voor de deur. Vr 20 december 1991 krijgen zij een laatste kans om een voorafbetaling te doen voor het aanslagjaar 1992. En indien de onderneming voorziet een belastbaar resultaat te hebben, is voorafbetalen een pure noodzaak. Bij niet-voorafbetalen rekent de fiskus immers een vermeerdering aan van gemiddeld 22,5% (cijfer voor aanslagjaar 1992). Komt daarbij dat deze "intrest' niet aftrekbaar is als kosten, wat hem stukken duurder maakt.

Probleem

Het ramen van de voorafbetalingen is vaak een probleem. In teorie verlangt de fiskus van een ondernemer dat hij op 10 april van het jaar reeds exact weet wat hij als belastbare winst zal behalen gedurende het lopende boekjaar. Immers, vr 10 april dient hij reeds n vierde van de belasting te betalen op de belastbare winst die hij over het gehele boekjaar zal verschuldigd zijn. Bij de volgende drie voorafbetalingen dient hij de overige delen te betalen. Die teorie kan in de praktijk voor problemen zorgen. Wie kent zijn winst reeds exact vr 10 april ? Stel dat de ondernemer zijn winst bij de eerste voorafbetaling heeft onderschat. Als goede ondernemer kan hij dan redeneren : ik zal een inhaaloperatie doen ter gelegenheid van de volgende voorafbetalingen. Dit is uiteraard juist, doch de fiskus zal dit afstraffen via het reeds geciteerde vermeerderingspercentage.

Een voorbeeld kan het principe verduidelijken. Een vennootschap merkt pas in het vierde kwartaal dat zij vennootschapsbelasting zal moeten betalen. Vr 20 december betaalt zij het bedrag aan belasting dat zij zal moeten betalen. De fiskus zal bij inkohiering van de belasting echter een niet-aftrekbare intrest aanrekenen van 7,5 % op de verschuldigde belasting (cijfer voor aanslagjaar 1992). De ondernemer kan die intrest ontlopen door meer vooraf te betalen dan noodzakelijk. Vr 20 december dient hij dan voor het aanslagjaar de helft meer te betalen dan noodzakelijk is. Achteraf zal de vennootschap die "te veel betaalde helft' terugkrijgen van de fiskus, zonder dat hij een vermeerdering zal aanrekenen.

Dit systeem is uiteraard mogelijk. Maar de vennootschap riskeert het teveel betaalde bedrag te missen tot augustus 1993. Dit is immers de uiterste termijn die de fiskus heeft om een teruggave te doen voor een tijdig ingediende aangifte voor het aanslagjaar 1992. En menigeen weet dat de fiskus bij een teruggave vaak zo lang mogelijk wacht met een terugbetaling.

Binnen kleinere vennootschappen kan echter gekozen worden voor een alternatieve oplossing. Dit door gebruik te maken van een belangrijk verschil tussen de personenbelasting en de vennootschapsbelasting. In plaats van vooraf te betalen kunnen een bijkomende kosten gecreerd worden door een zogenaamd winstaandeel uit te keren aan bestuurder (kapitaalvennootschappen) of werkende vennoot (personenvennootschappen).

Dit systeem werkt als volgt. Op de algemene vergadering van de vennootschap wordt beslist dat de bestuurder of werkende vennoot een additionele vergoeding krijgt. Deze vergoeding is voor de vennootschap aftrekbaar in het boekjaar waarover de algemene vergadering het resultaat bestemt (art. 108, 1, eerste lid WIB). Voor wat betreft de vennoot is dit winstaandeel echter een beroepsinkomen in het jaar dat het betrokken inkomen wordt toegekend of betaald (art. 167, 1, 3, b KB WIB). De term "betaling' zal daarbij zondermeer duidelijk zijn. Om in fiskale zin van "toekenning' te kunnen spreken, is het noodzakelijk dat de begunstigde werkelijk over de inkomsten kan beschikken, met andere woorden : de inkomsten moeten onmiddellijk kunnen worden gend (Com.I.B. 183/2). Merken we op dat indien de creditering op de lopende rekening van de genieter geschiedt met zijn toestemming, deze inschrijving als betaling geldt.

Eenmalig effekt

Stel dat de vennootschap te weinig voorafbetaalde op een winst ten belope van 100 voor het boekjaar 1991 (balans op 31.12.1991). Dan kan deze winst weggewerkt worden binnen de vennootschap door op de algemene vergadering een winstaandeel toe te kennen aan de werkende vennoot of bestuurder ten belope van eenzelfde bedrag. Ondanks het feit dat dit gebeurt n het afsluiten van het boekjaar, zijn dit toch nog een aftrekbare beroepskosten voor dat boekjaar van de vennootschap. De bestuurder of werkend vennoot krijgt dat inkomen dan wel als belastbaar inkomen in zijn personenbelasting. Maar die wordt voor hem past belastbaar in het inkomstenjaar 1992. Op dat ogenblik moet deze toekenning uiteraard aangegeven worden als niet-permanente bezoldiging binnen het stelsel van de bedrijfsvoorheffing. Maar die bedrijfsvoorheffing kan net nog tijdig betaald worden.

Let wel op : dit inkomen ten belope van 100 komt dan uiteraard kumulatief bij de overige inkomsten toegekend door de vennootschap aan haar bestuurder of werkend vennoot tijdens het jaar 1992. En dat zou kunnen zorgen voor een (gevoelige) verhoging van de belasting voor die werkende vennoot of bestuurder samen met een mogelijke stijging van de sociale bijdragen die hij in de toekomst zal moeten betalen. Maar dit kan dan weer opgelost worden door gedurende het (volgend) boekjaar 1992 vanuit de vennootschap enkel een saldo-inkomen toe te kennen zodat de bestuurder in zijn personenbelsting hetzelfde belastbare inkomen krijgt. Stel dat de bestuurder of werkende vennoot een normaal inkomen geniet van 500 per kalenderjaar. Dan mag de vennootschap hem tijdens het boekjaar 1992 maar 400 meer toekennen. Aldus heeft hij opnieuw een inkomen van 500 (100 winstaandeel en 400 permanente bezoldigingen). Om de vennootschap dan weer niet in gevaar te brengen zal de algemene vergadering in 1993 opnieuw 100 moeten toekennen ten laste van boekjaar 1992. Voor de volgende jaren moet dit dan in principe steeds herhaald worden.

Spreiding

Dit systeem is uiteraard ook bruikbaar in andere situaties. KMO's kunnen uitzonderlijke jaren hebben met hoge winsten. Niet zelden delen de bestuurders of werkende vennoten graag in dat resultaat. In die goede jaren kan besloten worden tot een additionele uitkering op de algemene vergadering om de winst binnen de vennootschap in dat ne boekjaar beperkt te houden. Met het voor de hand liggende voordeel dat de uitgekeerde winst onder de vorm van bezoldigingen gespreid wordt over twee inkomstenjaren in de personenbelasting.

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 2 november 1991.