DE KMO GESLACHTOFFERD

U weet het intussen wel. Deze regering koestert niet alleen het plan voor een echte hoge-snelheidstrein, ze kondigt tegelijk ook heel wat nieuwe fiskale maatregelen aan met de snelheid van die HST. Op 5 april 1992 werden drie grote kategorieŽn maatregelen aangekondigd. De KMO's worden zwaar aangepakt met welomschreven maatregelen. Daarnaast zouden de loon- en weddetrekkenden hun werkelijke verplaatsingskosten niet langer kunnen rapporteren. En tot slot zou het lange-termijnsparen, met name het pensioensparen en de oude vertrouwde levensverzekering, fiskaal minder interessant worden.

En wat zien we nu? De regering heeft de aangekondigde maatregelen tegen de loontrekkenden en het lange-termijnsparen afgezwakt. Meer nog: daar bestaan nog geen definitieve wetteksten over. Anderzijds heeft ze zonder meer de maatregelen tegen de KMO zonder enige nuance in wettekst omgezet. Ze werden reeds goedgekeurd op de ministerraad van 10 april 1992 en vervolgens overgemaakt aan de Raad van State. En deze heeft de teksten reeds behandeld zodat de weg open ligt naar het parlement. Om maar te illustreren hoe deze regering de KMO's wil "pakken'. Zij kregen geen weerwoord.

In deze bijdrage wordt de maatregel uiteengezet die een gedeelte van de huur betaald door een vennootschap aan een vennoot of een bestuurder, voortaan gelijkstelt aan een beroepsinkomen.

Voorwaarden

Veruit de grofste maatregel die genomen wordt tegen die KMO is deze die huur, betaald aan een vennoot of een bestuurder, in sommige omstandigheden voortaan kwalificeert als beroepsinkomen.

Daartoe dient een aantal voorwaarden vervuld te worden. In eerste instantie moet het gaan om de verhuring van een gebouwd onroerend goed. Verhuring van terreinen blijft dus buiten schot. Ook de vergoedingen ontvangen in het kader van een verleend recht van opstal (de zgn. cijnspacht) worden niet bedoeld. Ten tweede dient het te gaan om een bestuurder of een werkend vennoot die een gebouwd onroerend goed verhuurt aan "zijn' vennootschap. Meteen is duidelijk dat het louter aandeelhouder zijn van een vennootschap gekoppeld aan het verhuren van een gebouwd onroerend goed niet geviseerd wordt. Voor dergelijke zaken zou alles bij het oude blijven. En tot slot moet de verhuurder-bestuurder of de verhuurder-werkend vennoot een beroepsinkomen in de vorm van een bezoldiging puren uit "zijn' vennootschap. Krijgt de verhuurder-werkend vennoot of -bestuurder geen inkomen uit die vennootschap, dan geldt de nieuwe regeling niet. Dit ondanks het feit dat hij in die vennootschap toch bestuurder of werkend vennoot is. Toch moet opgelet worden. Het gevaar schuilt uiteraard in het art. 32ter WIB, met name in de zo gevreesde voordelen van alle aard. Indien de bestuurder of werkend vennoot privť een huis bewoont dat eigendom is van de vennootschap, met een mooie auto rijdt van de vennootschap, tijdens de weekeinden nogal wat restaurants bezoekt met die auto,... dan geniet hij automatisch van voordelen van alle aard die ook een beroepsinkomen uitmaken, wat impliceert dat de betrokken vennootschap hem bezoldigt. Opletten dus: op een of andere wijze ook maar ťťn frank bezoldiging toekennen, is voldoende om zijn huur voor een belangrijk gedeelte als beroepsinkomen te zien belasten.

Omdeling

Is aan de drie geschetste voorwaarden voldaan, dan wordt een gedeelte van de huur als beroepsinkomen belast. Prangende vraag: welk gedeelte en hoe wordt dat berekend? Wel: art. 2 van de nieuwe wet bepaalt dat "in afwijking van art. 7 WIB, de huurprijs en de huurvoordelen als bezoldiging van bestuurder aangemerkt worden in zover zij meer bedragen dan vijf derden van het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de in art. 13 van het nieuwe WIB bedoelde koŽfficiŽnt'. Een voorbeeld kan meteen duidelijkheid brengen. Onze verhuurder-bestuurder verhuurt een gebouw aan zijn vennootschap voor 70.000 fr. per maand. Het kadastraal inkomen van het gebouwd onroerend goed beloopt 60.000 fr. De vennootschap moet ook de onroerende voorheffing betalen die we hier makkelijkheidshalve op 35% veronderstellen. De bestuurder ontvangt dan op jaarbasis 861.000 fr. (70.000 x 12 + 60.000 x 0,35). Hoe moet nu deze ontvangen vergoeding omgedeeld worden tussen onroerend inkomen en beroepsinkomen? Basis daartoe is het kadastraal inkomen: dit dient eerst opgewaardeerd te worden naar de teoretische bruto huur door het te vermenigvuldigen met 5/3. Dit brengt het opgewaardeerde kadastraal inkomen op 100.000 fr. (60.000 x 5/3). Vervolgens dient het kadastraal inkomen gerevalorizeerd te worden met 2,88 (cijfer voor aanslagjaar 1993). Dus onze 100.000 fr. dient vermenigvuldigd te worden met die 2,88, wat het als belastbaar onroerend inkomen op 288.000 fr. brengt. Het overige gedeelte, zijnde 573.000 fr., dient als beroepsinkomen belast te worden. Indien onze werkend vennoot/bestuurder het onroerend inkomen voorheen kon kompenseren met intresten, zal deze nieuwe maatregel neerkomen op een fikse belastingverhoging. Vaak zal dit gebeuren aan de hoogste schijf ten belope van 55% (voor een inkomen vanaf 2.420.000 fr. - cijfer voor aanslagjaar 1993) zodat dit een belastingverhoging betekent van 337.211 fr. (incl. 7% aanvullende gemeentebelasting).

Onlogisch

Het zal de aandachtige lezer opvallen dat de uiteengezette berekening verschilt van die welke in deze kolommen werd uiteengezet in de krant van 10 april 1992. Reden: men heeft in extremis een en ander nog bijgestuurd. Wat niet belet dat de voorgestelde maatregel hoe dan ook hard aankomt. Een bezoldigd bestuurder die zijn pand verhuurt aan een derde, blijft zijn inkomen belast zien als onroerend inkomen. De volle aftrekbaarheid van intresten conform art. 9 van de wet van 7 december 1988 blijft voor hem behouden. Verhuurt hij als goede ondernemer dat pand aan "zijn' vennootschap, dan wordt hij voor een stuk belast onder de vorm van beroepsinkomen. De opdeling tussen de grote vier inkomsten uit de personenbelasting vervalt daardoor. Mocht de roerende voorheffing op dividenden van 25% naar 10% zakken (wat onze overige en huidige minister van financiŽn reeds verscheidene malen beloofde), dan zou het ons niet verwonderen dat men dat traditioneel roerend inkomen meteen ook als beroepsinkomen zou kwalificeren voor KMO's. Om maar duidelijk te maken dat in dit land een anti-KMO-beleid wordt geÔntroduceerd. De KMO-er die investeert in zijn onderneming wordt gestraft. De Belg die zijn geld louter uitzet en vooral intresten verdient (bv. op staatsobligaties) wordt beloond.

Inwerkingtreding

Deze maatregel moet nog naar het parlement. Maar de vraag is of deze wetteksten daar nog ernstig zullen geamendeerd worden. De inwerkingtreding is gepland voor aanslagjaar 1993. En dat vraagt van de belastingplichtigen een snelle reaktie. Vermits de maatregel pas bekend werd op 5 april 1992, hebben zij naar alle waarschijnlijkheid reeds drie maanden huur ontvangen. Zij moeten zich nu bezinnen over wat zij gaan doen. Ofwel nederig het hoofd buigen en betalen. En dat betekent konkreet: meer BV laten inhouden op de maandelijkse bezoldiging en/of voorafbetalen. Voor dat laatste is men trouwens voor een stuk reeds te laat: de eerste kans (10 april 1992) is reeds voorbij. Ofwel moet de belastingplichtige het "logisch boerenverstand' laten werken. Dat laatste wordt in dit land meestal "fiskale spitstechnologie' genoemd.

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 24 april 1992.