VANAF AANSLAGJAAR 1993: 7,27fr. per kilometer

U zal deze titel met veel vreugde lezen. U zal denken dat de regering nog een toegift gedaan heeft om vooralsnog het "forfait' van 6 fr. te verhogen. Wij moeten u teleurstellen. Van waar dan deze titel ? Binnen de huidige fiskale wetgeving is bepaald dat autokosten van personenwagens, minibussen en auto's voor dubbel gebruik maar voor 75 % aftrekbaar zijn. Daar bestaan drie grote uitzonderingen op. En wettelijke : benzine. De overige twee werden "extra legem' toegestaan : intresten op alle soorten financiering van de vermelde auto's en de mobilofoon. Deze drie kosten blijven integraal aftrekbaar.

In vele gevallen is echter het onderscheid tussen de volledig aftrekbare brandstofkosten en de overige niet aftrekbare autokosten moeilijk te maken. Denk maar aan verplaatsingskosten die de werkgever per kilometer betaalt aan zijn personeelsleden. In dat geval heeft de administratie op verzoek van de minister een forfaitaire berekening gegeven om uit die totale prijs de benzine te berekenen. Deze "forfait' werd bepaald op 30 %.

Vandaar de volgende redenering : voor 100 fr. autokosten zijn in kombinatie met alle mogelijke forfaits uiteindelijk 30 fr. benzinekosten volledig aftrekbaar. Van de overige 70 fr. zijn maar 75 % als kosten fiskaal te aanvaarden, wat resulteert in 52,50 fr. te aanvaarden. Van de oorspronkelijke 100 fr. zijn dus 82,50 fr. fiskaal aftrekbaar.

Als eenzelfde redenering wordt toegepast op het geplande forfait voor het woon-werkverkeer, bedraagt het bruto-bedrag vr toepassing van alle regeltjes 7,27 fr. Immers : van die 7,27 fr. is 30 % benzinekost. Een bedrag van 2,18 fr. is dus volledig aftrekbaar. Van de overige 5,09 fr. is maar 75 % aftrekbaar. Deze beperking zorgt ervoor dat 3,82 fr. aftrekbaar is. Samen resulteert alles in netto 6 fr. (2,18 + 3,82). Meteen is duidelijk dat op die 6 fr. geen enkele fiskale beperking meer moet toegepast worden.

Slim

De belastingplichtige die zijn kosten bewijst, kijkt dus best zo snel mogelijk naar de niet-beperkte kosten die hij per jaar per kilometer in werkelijkheid kan inbrengen. Ligt de kost per kilometer boven die 7,27 fr., dan heeft hij brute pech en zal hij misschien moeten overwegen om opnieuw het forfait te nemen.

Ligt het bedrag beneden die 7,27 fr. dan zou hij als volgt kunnen redeneren. Ik heb minder kosten dan het forfait van 7,27 fr. Dus : ik zal maar het forfait nemen om zodoende winst te maken dank zij deze nieuwe fiskale maatregel. Maar de tekstschrijvers van fiskale wetten worden met de dag slimmer. Zij hebben in het verleden al immers heel wat ervaring opgedaan. De voorgestelde wettekst zegt immers dat volgende kosten niet langer aftrekbaar zijn : "De reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling met een ander dan een tot het openbaar vervoer bestemd voertuig, in zover zij meer bedragen dan zes frank per afgelegde kilometer'. Dit betekent dat indien de kosten van en naar het werk minder bedragen dan het forfait, u van dat forfait geen gebruik kan maken. Aldus vermijdt men van tevoren problemen rond de bekende vraag : is dit forfait al dan niet een recht.

Daarnaast slaat de beperking op alle andere voertuigen dan deze die gebruikt worden door het openbaar vervoer. Bovendien wordt duidelijk gesteld dat het gaat om afgelegde kilometers. U moet ze dus effektief gereden hebben. Dit volgt trouwens al uit de aanhef van het artikel dat als principe stelt dat u nog altijd uw kosten dient te bewijzen zoals vroeger. Enkel als die (na de noodzakelijke fiskale beperkingen) uitschieten boven de 6 fr., moet u het forfait gebruiken. Een "slim' opgesteld artikel.

Problemen

Dat de introduktie van opnieuw een nieuwe "forfait' voor nogal wat problemen kan zorgen mag blijken uit het volgende.

Stel dat een werknemer wel met de auto van en naar het werk rijdt. Maar dat hij ook klanten bezoekt in opdracht van zijn werkgever. Voor deze laatste verplaatsingen geldt het forfait niet vermits dit geen woon-werkverkeer is. Dus voor dat gedeelte kan hij zijn werkelijke kosten blijven bewijzen. Omdeling naar aantal verreden kilometers lijkt ons hier de meest logische weg. Het probleem kan nog verscherpen. Stel dat betrokkene soms rechtstreeks naar zijn plaats van tewerkstelling rijdt en soms onmiddellijk van thuis uit naar klanten rijdt. Mag hij voor deze kosten zijn werkelijke kosten blijven in mindering brengen ? In een eerste reflektie zou dit bevestigend beantwoord worden.

Ander probleem : terwijl een werknemer van zijn plaats van tewerkstelling naar een klant rijdt, veroorzaakt hij een ongeval. Zijn personenwagen is "total loss' en ... hij was niet omnium verzekerd. Zijn deze kosten volgens de regels van de werkelijke kosten te aanvaarden of moet ook deze kosten omgedeeld worden volgens het aantal kilometers woon-werkverkeer en andere beroepsmatig afgelegde kilometers ? Het lijkt ons logisch dat deze kosten werkelijk aftrekbaar zouden zijn, uiteraard beperkt tot de "oude' 75 %.

De maatregel is uiteraard genomen om budgettaire doeleinden. Tweede reden was echter om het bewijzen van kosten door loon- en weddetrekkenden te ontmoedigen en aldus de administratie minder werk te geven. Maar gezien al deze problemen vragen wij ons af of dit alles niet juist meer werk zal vragen van onze beproefde administratie.

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 2 mei 1992.