BESTAAT EEN BANKGEHEIM BIJ INKOMSTENBELASTING EN BTW?

Elke Belg en zo goed als alle ondernemingen worden dagelijks geconfronteerd met directe belastingen. Velen zullen op geregelde tijdstippen ook verantwoording moeten afleggen aan de BTW-administratie. Bij een onderzoek zou de controleur kunnen besluiten rechtstreeks inlichtingen te vragen bij de bank. Mag die daar op antwoorden? Vorige week werd de vraag behandeld of een bankgeheim bestaat bij successie. Het antwoord op die vraag was ontkennend. Geldt dezelfde conclusie inzake het Wetboek Inkomstenbelasting (W.I.B. 1992) en het Wetboek BTW?Inzake BTW moet een bank de boeken en stukken, die zij overeenkomstig het BTW-wetboek moet bewaren, op ieder verzoek van de BTW-ambtenaren, ter inzage voorleggen teneinde de juiste heffing van de BTW in haren hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan (art. 61, p. 1, eerste lid W.B.T.W.). De ambtenaar mag zelfs besluiten deze boeken (voor zover ze afgesloten zijn) en stukken mee te nemen om het onderzoek verder te kunnen voeren (art. 61, p. 2 W.B.T.W.). Uiteraard zal die bank ook gehouden zijn zowel schriftelijk als mondeling alle inlichtingen te verschaffen die haar gevraagd worden teneinde de juiste heffing van de BTW in haren hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan (art. 62, p. 1 W.B.T.W.). Een bank zal dus zonder meer de BTW-documenten moeten voorleggen, niet alleen rond de eigen BTW-plicht, maar tevens rond de toepassing van deze belasting in hoofde van een van haar klanten. Uit wat voorafgaat, zou kunnen besloten worden dat de BTW-fiscus aan banken enkel stukken en boeken zou mogen vragen die in rechtstreeks verband staan met de toepassing van de BTW. Met andere woorden: enkel die stukken en boeken die de bank moet bijhouden krachtens het BTW-wetboek zouden opgevraagd kunnen worden. Maar het Bestuur van de Postcheque, de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen moeten ook alle andere stukken en inlichtingen verstrekken (teneinde de juiste toepassing van de belasting in hoofde van derden na te gaan. Enkel moeten zij in dat geval optreden met een machtiging van hun directeur-generaal (art. 62bis W.B.T.W.). Door deze regel kunnen wij besluiten dat de BTW-administratie alle inlichtingen en stukken kan vragen aan banken om de belastingtoestand van haar klanten na te gaan. Wel moet het onderzoek de juiste heffing van de BTW beogen. Deze ruime regel mag dus niet gebruikt worden om een onderzoek inzake bijvoorbeeld de personenbelasting vlot te krijgen. Inzake BTW bestaat dus geen bankgeheim.

W.I.B. 1992

Inzake directe belastingen mag gesteld worden dat een bankgeheim bestaat. Het wetboek stelt immers dat de Administratie der directe belastingen niet gemachtigd is in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun klanten. Dus hier bestaat zonder meer een bankgeheim (art. 318, eerste lid W.I.B. 1992).

Maar op deze regel bestaat een belangrijke uitzondering die trouwens eind 1996 een flink stuk is uitgebreid. Indien evenwel een onderzoek van de belastingtoestand van de bank zelf concrete elementen aan het licht brengt die het bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking kunnen doen vermoeden in hoofde van een klant van de bank, dan kan een ambtenaar met de graad van ten minste inspecteur uit de rekeningen, boeken en documenten van de banken inlichtingen putten die het mogelijk maken het onderzoek te voltooien en de door deze klant verschuldigde belastingen te bepalen. Weliswaar moet hij daartoe gemachtigd worden. Maar er zal wel geen belemmering zijn om dat te doen (art. 318, tweede lid W.I.B. 1992). Om het bankgeheim op te heffen, moet dus een vermoeden van fraude vastgesteld worden tijdens een controle van de belastingtoestand van de bank zelf. Een gewone vraag om inlichtingen sturen naar een bank om bijvoorbeeld een kopie van de rekeninguittreksels van een klant te krijgen, kan dus niet. Tenzij dit zou gebeuren in het kader van een controle van de bank zelf, wat in deze weinig waarschijnlijk is.

Vroeger

Deze uitzondering was vroeger veel strenger geformuleerd in het belang van de klant van de bank. Zo diende vroeger de bank zelf medeplichtig te zijn aan fraude opdat het bankgeheim zou kunnen opgeheven worden. Bovendien werd enkel het bestaan van een fraudemechanisme geviseerd en niet de voorbereiding daarvan. Tot slot gingen velen er van uit dat bij de oude regeling met de term mechanisme een abnormale bankpraktijk werd bedoeld. Maar bij procedurebehandelingen vanaf aanslagjaar 1998 gelden deze beperkingen niet langer (art. 41 K.B. 20.12.1996, B.S. 31.12.1996). De opheffing van het bankgeheim bij een bezwaarschrift (art. 374, tweede lid W.I.B. 1992) daarentegen moet niet gevreesd worden. Dit mag enkel gebeuren indien de gevraagde inlichtingen nuttig zijn in het kader bezwaarschrift. En de bank zal het nuttigheidsoordeel overlaten aan de klant. Acht die de gevraagde inlichtingen niet nuttig in de behandeling van het bezwaarschrift, dan zal de bank die inlichtingen niet meedelen. Maar dat wil niet meteen zeggen dat het bezwaarschrift zal 'gewonnen' worden...

Meldingsplicht

In een aantal gevallen moeten bepaalde personen fraude melden. De Commissie voor het Bank- en Financiewezen en het Interventiefonds van de Beursvennootschappen moeten dit spontaan doen wanneer zij vaststellen dat een instelling waarover zij de controle uitoefenen heeft bijgedragen tot het opzetten van een mechanisme dat tot doel of tot gevolg heeft belastingfraude te organiseren en dat een medeplichtigheid insluit tussen de bank en de klant met het oog op belastingontduiking (art. 327, p. 5 W.I.B. 1992).

De ambtenaren van het Openbaar Ministerie, waarbij een strafzaak aanhangig is, waarvan het onderzoek ernstige vermoedens van ontduiking inzake inkomstenbelastingen aan het licht brengt, moeten de fiscus daar eveneens over inlichten (na autorisatie door hun overste; art. 327, p. 4 W.I.B. 1992).

En met deze laatste bepaling is uiteraard de doos van Pandora geopend. Stel dat in een strafrechtelijke procedure, waarin op geen enkele wijze een bankgeheim moet geŽerbiedigd worden, de onderzoeker lucht krijgt van belastingfraude, dan moet hij fiscus inlichten. En die kan dan het dossier inkijken en het nodige doen...

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 22 januari 1998.