TAXATIE BIJ VERGELIJKING IN DE ANTWERPSE PELIKAANSTRAAT

Als de fiscus vindt dat uw boekhouding geen correcte boekhouding is, mag hij andere cijfers hanteren dan deze die in de boekhouding voorkomen. Maar om die andere cijfers te bepalen, moet hij U in dat geval vergelijken met ten minste drie andere soortgelijke belastingplichtigen. Een merkwaardige procedure die niet alleen geldt in de personenbelasting maar ook van toepassing is voor vennootschappen. Het probleem is uiteraard wat soortgelijke belastingplichtigen zijn. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat onze Hoven van Beroep al tal van arresten in deze materie hebben gewezen. Het Hof van Beroep te Gent moest na Cassatie een uitspraak doen rond een juwelier uit de bekende Pelikaanstraat te Antwerpen. In het arrest neemt het Hof een standpunt in rond de vraag met wie een belastingplichtige bij de vergelijkingsprocedure moet vergeleken worden.

Om het bedrag van de belastingschuld van een belastingplichtige te bepalen beschikt de fiscus over alle bewijsmiddelen die in het gemeen recht bestaan, met uitzondering van de eed (art. 340 W.I.B. 1992). Maar naast deze algemene bewijsmiddelen zijn binnen het wetboek nog een aantal andere speciaal voor de fiscus gecreëerde bewijsmiddelen ingeschreven. Eén van die bijzondere bewijsmiddelen is de vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens wordt de winst of de baten voor elke belastingplichtige bepaald naar de normale winst of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen. Het uitkiezen van die drie soortgelijke belastingbetalers moet gebeuren met inachtneming, volgens het geval, van het aangewende kapitaal, van de omzet, van het aantal werklieden, van de benuttigde drijfkracht, van de huurwaarde van in bedrijf genomen gronden, alsmede van alle andere nuttige inlichtingen (art. 342 W.I.B. 1992). De raming van de inkomsten door vergelijking is een bewijsvoering door vermoedens, waarin de belastingwet uitdrukkelijk voorziet (Com.I.B. 1992 342/1). Dit bewijsmiddel moet gezien worden als een wettelijk vermoeden.

Bewijskrachtige boekhouding

Heel belangrijk is dat de fiscus alvorens hij deze vergelijkingsprocedure mag toepassen, eerst moet aantonen dat de gegevens die de belastingplichtige zelf aanbrengt, niet bewijskrachtig zijn. De fiscus mag niet omgekeerd te werk gaan. Als hij vaststelt dat de winstmarge van een ondernemer lager is dan die van vergelijkbare belastingplichtigen, is dat feit op zich onvoldoende om de vergelijkingsprocedure toe te passen. Hij moet eerst bewijzen dat de boekhouding van de belastingplichtige niet bewijskrachtig is. Opdat een boekhouding als regelmatig kan bestempeld worden met volledige bewijskracht tegenover de fiscus, is vereist maar volstaat het, dat de voorgelegde boeken en stukken een samenhangend geheel vormen aan de hand waarvan de belastbare inkomsten kunnen worden bepaald. Daarnaast moeten alle geschriften gestaafd zijn door bewijsstukken. Tot slot moeten alle geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen. (PV nr. 175 van 26.06.1990 DE CLIPPELE, Bull. Bel. nr. 699, p. 3148-3150) De fiscus zelf schrijft in zijn commentaar dat de bewijskracht van de rekeningen van de belastingplichtige wordt ontkracht door vast te stellen dat deze zodanige leemten vertonen dat ze geen geheel kunnen vormen aan de hand waarvan de belastbare inkomsten nauwkeurig kunnen worden bepaald. De bewijskracht wordt ook aangetast door de afwezigheid van de bewijsstukken vast te stellen, door de onmogelijkheid vast te stellen om de juistheid van de geboekte cijfers na te zien of door de onjuistheid van de geboekte cijfers te bewijzen. (Com.I.B. 1992 340/8). De fiscus moet dus kunnen nagaan of de aangerekende som aan de klant overeenstemt met de geleverde goederen of prestaties. Hij moet een verband kunnen leggen met de aankopen en voorraden en bestellingen in uitvoering en de eventuele personeelskosten. Zo werd reeds gesteld dat indien het ontvangstenregister de vermeldingen aangaande de prestaties niet bevat, maar slechts de naam van de klant en het totaal bedrag van de ontvangst, en dienaangaande niet het minste gedetailleerd bewijskrachtig gegeven wordt toegevoegd, de fiscus in de onmogelijkheid verkeert de inschrijvingen te onderzoeken (Luik, 31 mei 1989, Bull. Bel., 698, 2799).

Eenmaal de fiscus de boekhouding verwerpt, kan hij starten met de vergelijkingsprocedure. Maar dan komt de kat op de koord. Wat zijn soortgelijke belastingplichtigen? Het eerste probleem daarbij is dat de belastingplichtige én de rechter nooit de identiteit kent van de belastingplichtigen met wie de fiscus de vergelijking doet. De rechter kan slechts oordelen of de toepassingsvoorwaarden van de wet zijn nageleefd. Wanneer alle voorwaarden en toepassingsregelen zijn nageleefd, kan de belastingplichtige de wijze waarop de inkomsten van de vergelijkingspunten zijn berekend, niet betwisten. De vergelijkingsprocedure ontslaat de fiscus immers niet van haar beroepsgeheim (Cass., 20 februari 1986, Bull. Bel. 658, blz. 361). Een merkwaardige zaak. Als de fiscus daarbij een fout maakt, kan de belastingplichtige dat niet eens weten. De vraag is of in deze de rechten van verdediging voldoende zijn gewaarborgd. Maar de fiscus moet wel uitleg geven waarom de drie gekozen belastingplichtigen "soortgelijk" zijn. Stel dat de administratie een aannemer die enkel openbare bouwwerken zet, vergelijkt met aannemers die enkel voor particulieren bouwen, dan zijn die laatste geen soortgelijke belastingplichtigen (Luik, 13 maart 1985, F.J.F., No. 85/136). De vergelijking van een belastingplichtige met gebrekkige gezondheid zonder helpers met kerngezonde ondernemers met helpers, vertoont evenzeer onvoldoende gelijkenis (Luik, 15 mei 1985, F.J.F., No. 86/8).

Onder tafel

Een maand terug diende het Hof van Beroep te Gent (na Cassatie) over een belastingplichtige te oordelen die door de fiscus was aangepakt met de vergelijkingsmethode (Gent, 19 december 2000, nog niet gepubliceerd). Een juwelier had een handel in juwelen in de bekende Antwerpse Pelikaanstraat. De belastingplichtige kwam te weten dat de B.B.I.-controleur als vergelijkingspunt belastingplichtigen had genomen die alle zonder uitzondering in een totaal andere buurt hun activiteit uitoefenden. De belastingplichtige argumenteerde dat in de Pelikaanstraat tal van concurrenten juweliers aanwezig zijn. De ambtenaar die met het onderzoek van het bezwaarschrift was belast, merkte op dat het logischer zou geweest zijn vergelijkingspunten te nemen uit de Pelikaanstraat zelf. De B.B.I. had vergelijkingspunten genomen op de Groenplaats, de Handschoenmarkt en de Nationalestraat. Die ambtenaar vond zelfs dat die vergelijkingspunten niet representatief waren gezien het ontbreken van talrijke concurrerende zaken in hun onmiddellijke nabijheid. De B.B.I. antwoordde op dit standpunt dat de vergelijkingspunten in de Pelikaanstraat niet a priori te verwerpen zijn. Maar de B.B.I. stelde dat het een publiek geheim is dat in deze omgeving al wat "onder tafel" wordt verhandeld. Elke vergelijking met andere zaken uit de Pelikaanstraat en omgeving dient dus vermeden te worden. De gewestelijke directeur volgde het standpunt van zijn ambtenaar niet. Hij aanvaardde de redenering van de B.B.I.

Maar het Hof sabelt de B.B.I.-redenering genadeloos neer: "Overwegende dat aldus blijkt dat de Administratie op basis van een niet objectief vaststaande vooringenomenheid niet de winst van de eiser heeft bepaald naar de normale winst van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen , maar willens en wetens vergelijkingspunten in aanmerking heeft genomen die niet betrekking hadden op soortgelijke belastingplichtigen." Het Hof bevestigt dat de aanslag dus willekeurig is en vernietigt hem.

Met dit arrest wordt een element toegevoegd aan de reeks arresten die rond de vergelijkingsprocedure al bestaan. In het verleden had hetzelfde Hof al gesteld dat de Administratie bij de keuze van de vergelijkingspunten objectief tewerk moet gaan (Gent, 5 februari 1991, F.J.F., No. 91/196). Dat is evident. Is dat arrest nu voldoende om te stellen dat de fiscus de dichtst bijzijnde gelijksoortige belastingplichtigen moet nemen? Zo hard mag de conclusie niet gesteld worden. Want dat zou betekenen dat het handel drijven in een straat waar iedereen min of meer dezelfde activiteit uitoefent als verstokte fraudeur, het onmogelijk zou maken voor de fiscus om de vergelijkingsprocedure toe te passen. Het Hof heeft in dit geval enkel gesteld dat de fiscus op een subjectieve basis de vergelijkingspunten had uitgekozen. Het arrest had er wellicht anders uitgezien als de B.B.I. op vraag van de ambtenaar die het bezwaar behandelde niet had geantwoord dat ze geen andere juweliers uit de Pelikaanstraat hadden genomen omdat het daar allemaal verstokte fraudeurs zijn. Dat laatste neemt het Hof de B.B.I. kwalijk. Dat is geen objectief gegeven. Soms mag je dingen denken, maar niet zeggen.

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 19 januari 2001.