WETSONTWERP WERKNEMERSPARTICIPATIE GOEDGEKEURD IN DE KAMER

Eind vorige maand keurde de Kamer het wetsontwerp betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen goed. De Senaat kan het nog evoceren. Maar algemeen wordt aangenomen dat dit niet zal gebeuren. Van zodra deze wet in het Staatsblad komt, zal België drie methodes hebben om werkgevers met een gulle hand toe te laten hun werknemers tegen voordelige tarieven in de winst van de onderneming te laten delen. Dat kon al via het aandelenoptieplan. Maar nu zal het ook kunnen via het gratis geven van aandelen en het rechtstreeks toekennen van een stuk van de winst van het boekjaar aan de werknemers.

Het wetsontwerp betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen werd op 29.03.2001 goedgekeurd door de voltallige Kamer. Het wetsontwerp beoogt een kader te creëren waarin de in België tewerkgestelde werknemer kan genieten van een participatiestelsel in het kapitaal en in de winst van de ondernemingen. De invoering van dergelijk stelsel kadert in een Europese aanbeveling (aanbeveling 92/443/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27.07.1992). Die aanbeveling had tot doel de werknemersparticipatie in bedrijfswinsten en -resultaten (inclusief aandelenparticipatie) te bevorderen. Daarbij vroeg de Raad de mogelijkheid te overwegen om stimulerende maatregelen toe te passen, zoals het verlenen van fiscale of andere financiële voordelen om de invoering van participatievormen te bevorderen. Europa vroeg heldere en begrijpelijke plannen uit te werken die voor de rechtstreeks betrokkenen meteen hanteerbaar en begrijpelijk zijn. Maar de Raad van State geeft de regering op dat vlak een veeg uit de pan. Volgens de Raad van State is het ontwerp zeer complex (Kamer, 2000-2001, 1043/001 DOC 50, p. 81).

Aandelen of winst

Dit systeem onderscheid zich duidelijk van de aandelenopties die in 1999 werden ingevoerd (Wet betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen van 26.03.1999, B.S., 01.04.1999). Via die techniek kunnen enkel opties aan het personeel gegeven worden. De wet zelf omschrijft de optie als het recht om, gedurende een welbepaalde termijn een bepaald aantal aandelen aan te kopen of, naar aanleiding van een kapitaalverhoging van een vennootschap, op een bepaald aantal aandelen in te schrijven tegen een vastgestelde of een nog vast te stellen prijs (art. 41, 3 Wet 26.03.1999). De optie geeft dus duidelijk recht op aandelen. Maar de werknemer ontvangt die aandelen niet onmiddellijk. Daartoe zal hij zijn opties moeten uitoefenen. Maar bij die uitoefening zal hij zo goed als steeds een bedrag moeten betalen. Met het plan dat nu goedgekeurd werd in de Kamer kan de werknemer meteen aandelen gratis verwerven.

De deelneming moet echter niet noodzakelijk via aandelen gebeuren. In plaats van aandelen kan aan de werknemer een deel van de winst uitgekeerd worden. De vennootschaps- en boekhoudrechtelijke behandeling van een winstuitkering ligt voor de hand. Dit wordt een loutere bestemming van het resultaat direct gevolgd door een gelduitkering. Maar de zaak is niet zo eenvoudig als de onderneming aandelen aan de werknemers wil geven. In de parlementaire voorbereidingen worden drie systemen toegelicht (Kamer, 2000-2001, 1043/001 DOC 50, p. 52). Het bezorgen van de aandelen door de werkgever-vennootschap aan de werknemer kan gebeuren via een klassieke kapitaalverhoging waarbij de werkgever (een deel van) het te bestemmen resultaat van het boekjaar inbrengt in het eigen kapitaal (indien gewenst gecombineerd met een uitgiftepremie). Zo ontvangt de werknemer aandelen van het eigen bedrijf. Het plan kan ook voorzien in het geven van aandelen van een vennootschap die verbonden is met de werkgever-vennootschap. Dat kan de moedervennootschap zijn. In zon geval zal die eerst het kapitaal moeten verhogen (al dan niet met een uitgiftepremie). Eenmaal dat gebeurd is, zullen de aandelen van de verbonden vennootschap terug moeten verkocht worden aan de vennootschap-werkgever. Die zal ze dan kunnen aanwenden binnen de krijtlijnen van het te bestemmen resultaat. Het eenvoudigst is uiteraard dat de vennootschap-werkgever simpelweg haar eigen aandelen of die van een verbonden onderneming inkoopt. Vervolgens kunnen ze aan de werknemers gegeven worden. Indien deze aandelen voor het totstandkomen van de werknemersparticipatie in bezit waren van de vennootschap-werkgever zal in niet weinig gevallen een resultaat tot uitdrukking komen. Dat resultaat zal gelijk zijn aan het vastgestelde verschil tussen de boekwaarde van de betrokken aandelen en het bedrag van de kapitaalsparticipatie.

Ook externe accountant

In vergelijking met het ingediende ontwerp zijn geen ingrijpende wijzigingen aangebracht. Het plan geldt nog steeds enkel voor vennootschappen. Aanvankelijk werd de exclusieve toepassing voor vennootschappen niet in de titel van het ontwerp opgenomen. De Raad van State vroeg dit wél te doen. Wat nu is gebeurd. Maar het mag duidelijk zijn dat het ontwerp niet zal gelden voor eenmanszaken. Zij zullen niet kunnen genieten van de winstparticipatie. Zoals van meet af aan was gepland moeten alle betrokken werknemers de mogelijkheid hebben aan het participatieplan deel te nemen. Wel kan voorzien worden in een minimum anciënniteit. Maar die mag niet groter zijn dan één jaar. Al wie één jaar in dienst is, moet kunnen toetreden tot het plan. Als de werknemer in dienst genomen werd op basis van opeenvolgende contracten, wordt de vereiste anciënniteit berekend rekening houdend met de samenvoeging van de opeenvolgende contracten. Het totaal bedrag van de deelnames in het kapitaal en in de winst mag, bij afsluiting van het betreffende boekjaar, één van de volgende limieten niet overschrijden: 10 procent van de totale bruto loonmassa en 20 procent van de winst van het boekjaar (na belasting). Stel dat een onderneming een winst van het boekjaar heeft van 1 mln. BEF en een bruto loonmassa van 5 mln. BEF, dan wordt het maximale bedrag voor dat boekjaar beperkt tot 0,2 mln. BEF. Als het participatieplan werd ingevoerd op het niveau van een groep, worden de totale bruto loonmassa en de winst na belasting berekend op geconsolideerde basis. Opvallend is dat het plan elke werknemer kan verplichten toe te treden (zie art. 9, 1, 2). Elke onderneming-werkgever kan op het niveau van de groep een afzonderlijk en geïsoleerd initiatief tot opstelling van een participatieplan nemen. Het kan dus dat slechts één of enkele ondernemingen binnen de groep een participatieplan uitwerken.

Ook de geplande belastingtarieven blijven onverkort behouden. Bij een deelname in het kapitaal is de enige kost een belasting van 15 procent. Die belasting moet berekend worden op het bedrag dat toe te kennen is aan de deelname in het kapitaal. Om die belastbare grondslag vast te stellen is hetzelfde systeem ingevoerd als deze die geldt voor de aandelenopties. Wanneer de aandelen genoteerd of verhandeld worden op de beurs mag de belastbare grondslag niet kleiner zijn dan het bedrag dat overeenkomt met, naar keuze van de vennootschap die de aandelen toekent, de gemiddelde koers van het aandeel, gedurende dertig dagen die de dag van de toekenning van de aandelen aan de werknemers voorafgaat, of de laatste slotkoers die voorafgaat aan de dag van de toekenning. In de andere gevallen mag de belastbare basis niet kleiner zijn dan de werkelijke waarde van het aandeel op het moment van de toekenning ervan. Die waarde moet vastgesteld worden door de werkgever-vennootschap. Daarbij dient een gelijkluidend advies van een bedrijfsrevisor of externe accountant bekomen te worden. Die waarde mag evenwel niet lager zijn dan de boekwaarde van de aandelen zoals blijkt uit de laatste jaarrekening van de uitgevende vennootschap die afgesloten en goedgekeurd is door het bevoegde orgaan vóór de datum van de toekenning. Meteen blijkt dat de revisor (en dit keer ook de externe accountant) in een zelfde positie wordt gewrongen als bij de aandelenopties. Sommigen denken daarbij aan een rulingprocedure. Maar niet omtrent de werkelijke waarde zelf. Wel rond de methode(s) die gehanteerd wordt om die waarde te bepalen. Dit zou gebeuren door een aanpassing van het K.B. van 03.05.1999 tot inrichting van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken (B.S., 4 juni 1999). Dit zou dan meteen ook gelden voor de aandelenoptieplannen. Een merkwaardige wending. De fiscus gaat dus zeggen hoe de vakman in deze moet waarderen. Straks kunnen we hem ook nog vragen hoe we handel moeten drijven ... Deze tarieven zijn echter enkel van toepassing als de onbeschikbaarheidsvoorwaarde strikt wordt nageleefd. Dat betekent dat de werknemer de aandelen moet blijven aanhouden gedurende minstens twee en maximum vijf jaar. De aandelen of deelbewijzen aan toonder maken het voorwerp uit van een open bewaargeving, naar keuze van de werkgever, bij een kredietinstelling of een beursvennootschap. De aandelen of deelbewijzen op naam maken het voorwerp uit van een speciale vermelding in het aandeelhoudersregister van de uitgevende vennootschap en, in voorkomend geval, op het certificaat ter vertegenwoordiging van de effecten op naam.

Investeringsspaarplan

Gaat het om een winstparticipatie, dus een uitkering in geld, dan zijn andere en, wat dacht u, hogere tarieven van toepassing. Op die winstuitkering zal de werkgever-vennootschap vooreerst een solidariteitsbijdrage moeten inhouden van 13,07 procent. Op het verschil zal vervolgens een belasting moeten betaald worden van 25 procent. Evenwel kan dat tarief van 25 procent herleid worden tot 15 procent voor zover de vennootschap een kleine vennootschap is (zie art. 15 W.Venn.). Maar dan moet de winstparticipatie gecombineerd worden met een investeringsspaarplan. De toegekende winst moet alsdan door de werknemers ter beschikking van de vennootschap worden gesteld in het kader van een niet achtergestelde lening die onder een afzonderlijke rubriek van de schulden van de onderneming wordt geboekt. De bedragen die de werknemer dan meteen terug uitleent aan de werkgever-vennootschap moeten terugbetaald worden door de werkgever aan de werknemer na het verstrijken van een periode die niet kleiner mag zijn dan twee jaar en niet langer dan vijf jaar. Tijdens de kredietperiode moet de werkgever aan de werknemer een interest betalen die niet kleiner mag zijn dan de interestvoet op een OLO van gelijkaardige duur. De vennootschap-werkgever moet dit krediet aanwenden voor investeringen in vaste activa. Zo zal de werkgever eindelijk zijn MERCEDES S kunnen kopen met geld dat hij kreeg van zijn werknemers. Het leven kan mooi zijn.

Jan VERHOEYE, accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent.
Gepubliceerd op 13 april 2001.